De verwerking van geëxpandeerde kleibakstenen begint bij een nauwkeurig gestelde kimlaag op de vloerconstructie. Eerst de basis. Vanwege het geringe eigen gewicht laten deze blokken zich in grotere formaten verwerken dan massieve betonstenen zonder dat de fysieke belasting voor de verwerker de normen overschrijdt. Metselaars hanteren veelal een traditioneel halfsteensverband. Specie of dunbedmortel wordt aangebracht op zowel de horizontale lintvoegen als de verticale stootvoegen, tenzij het blok is voorzien van een tand-en-groefverbinding die verticale verlijming overbodig maakt.
De poreuze textuur van de kleikogeltjes aan het oppervlak bevordert een mechanische verankering van de mortel. Het materiaal zuigt. Hierdoor is de beheersing van de waterhuishouding tijdens het metselen cruciaal; bij droog weer is het bevochtigen van de stenen noodzakelijk om een goede hydratatie van de cementmortel te waarborgen. Het op maat maken gebeurt ter plekke met een elektrische lintzaag of een steenzaagmachine. Tijdens het optrekken van de wanden worden muurankers in de voegen gelegd voor de koppeling met omliggende constructiedelen of kolommen. De ruwheid van het materiaal bepaalt de directe hechting van de afwerklaag. Een raaplaag of pleisterwerk wordt meestal zonder voorstrijk aangebracht, waarbij de open structuur van de steen als ideale hechtgrond fungeert.
De ene geëxpandeerde kleibaksteen is de andere niet. In de praktijk maken we onderscheid op basis van de dichtheid en de vormgeving van het blok, waarbij de volumieke massa direct de constructieve grenzen bepaalt. De markt kent grofweg drie hoofdcategorieën:
Er heerst soms spraakverwarring. Men noemt ze Argexblokken of Lecablokken, vernoemd naar de grootste producenten van de kleikorrels, maar technisch gezien vallen ze allemaal onder de noemer lichtbeton met geëxpandeerde klei. Verwar deze blokken nooit met cellenbeton (Ytong). Hoewel beide lichtgewicht zijn, is de structuur fundamenteel anders; bij kleibakstenen zie je de korrelopbouw duidelijk zitten, terwijl cellenbeton een homogene, bijna schuimachtige textuur heeft.
Dan is er nog het verschil in afwerking. Je hebt de ruwe variant voor traditioneel metselwerk met mortel, waarbij de textuur een mechanische ankerplaats vormt voor de pleisterlaag. Daarnaast bestaan er maatvaste lijmblokken. Deze zijn nabewerkt – vaak geslepen – zodat ze met een dunne lijmlaag of tand-en-groefverbinding verwerkt kunnen worden. Dat werkt schoon. Geen geknoei met specie. De keuze tussen een gladde of ruwe variant hangt vaak samen met de gewenste afwerking van de wand; voor een zichtwerkmuur in een industriële setting wordt vaker de gladde, strakke variant gekozen.
Een zolderrenovatie in een oude stadswoning. De houten balklaag buigt al licht door onder het eigen gewicht. Je wilt een extra badkamer realiseren, maar zware kalkzandsteen is geen optie voor de constructeur. Hier grijp je naar geëxpandeerde kleibakstenen. Het lage eigen gewicht spaart de vloer. Je tilt de blokken moeiteloos drie trappen op zonder je rug te forceren. De wand staat snel en de constructie geeft geen krimp.
In een nieuwbouwproject voor een schoolgebouw dienen de blokken als scheidingswand tussen de klaslokalen. Men kiest hier bewust voor de volle variant. De reden? Geluidsisolatie. De celstructuur van de gebakken kleikorrels absorbeert de hoge tonen van spelende kinderen in de gang, terwijl de massa van het cement de lage tonen tegenhoudt. Geen holle galm door de gangen. Rust in de klas.
Denk ook aan de afwerking van een technische ruimte of een garage. Je gebruikt de maatvaste lijmblokken en laat ze onafgewerkt. Geen stucwerk. De grijze, korrelige textuur van de Argex-korrels blijft zichtbaar en geeft de ruimte een robuuste, industriële uitstraling. Omdat de steen anorganisch is, hebben vocht en schimmel in een vochtige kelderomgeving geen schijn van kans. Functioneel en esthetisch tegelijk. Een wand die tegen een stootje kan tijdens het klussen.
De NEN-EN 771-3 vormt de technische ruggengraat. Niets is vrijblijvend. Elke geproduceerde steen valt onder deze Europese norm voor betonstenen met lichte toeslagstoffen. De fabrikant stelt een Declaration of Performance (DoP) op. Geen DoP, geen legale toepassing. Zo simpel is het op papier, maar de praktijk vereist dat deze documenten matchen met de constructieve berekeningen van de hoofdconstructeur.
Binnen de grenzen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) worden de functionele eisen gesteld. Sterkte. Brand. Geluid. Vooral die brandklasse A1 is een troefkaart in projecten waar vluchtwegen worden afgeschermd. Voor de berekening van de wanddiktes en de belastbaarheid grijpt de ingenieur naar de Eurocode 6 (NEN-EN 1996). Hierin staan de rekenregels voor metselwerkconstructies, specifiek aangepast op de afwijkende elasticiteitsmodulus van lichtbeton. Kwaliteitsborging vindt in Nederland vaak plaats via KOMO-attesten, een bewijs dat de blokken aan de strengste nationale verwerkingseisen voldoen. Ook de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) weegt zwaar. De energie die nodig is voor het pofproces van de klei telt mee in de totale ecologische voetafdruk van het gebouw.
De klei pofte. Per ongeluk. In 1917 ontdekte de Amerikaan Stephen Hayde dat klei die tot het kookpunt werd verhit plotseling uitzette tot een poreus, lichtgewicht materiaal. Hij patenteerde dit proces onder de naam Haydite. Het was het startschot voor een nieuwe materiaalklasse. De techniek bleef echter lang een Amerikaans onderonsje tot de naoorlogse wederopbouw in Europa een enorme druk op de traditionele bouwmarkt legde. Men zocht alternatieven voor zware baksteen en beton. Denemarken startte in 1944 met de productie van Leca. België volgde in 1964 met de inmiddels bekende Argex-korrel. De korrels waren er, maar de blokvorm zoals we die nu kennen liet nog even op zich wachten.
In de vroege jaren vijftig en zestig gebruikte men de losse korrels hoofdzakelijk als stortmateriaal voor isolerende lichtgewicht betonvloeren of als vulling in spouwmuren. Het was een logistiek antwoord op slappe bodems en complexe funderingsvraagstukken. Pas later, toen de industrialisatie van de bouwsector echt vorm kreeg, ontstond de behoefte aan gestandaardiseerde metselblokken. De markt eiste producten die thermische isolatie combineerden met een hanteerbaar gewicht voor de metselaar. De ontwikkeling van geavanceerde roterende ovens maakte deze massaproductie mogelijk. Temperatuurbeheersing tot op de graad nauwkeurig werd de norm. De blokken werden steeds verfijnder. Waar de eerste generaties vaak nog ruw en variabel in druksterkte waren, zorgden moderne perstechnieken en nauwkeurige zeeffracties voor de maatvaste lijmblokken van vandaag. De normering volgde de marktontwikkeling op de voet; versnipperde nationale richtlijnen maakten plaats voor de geharmoniseerde Europese NEN-EN 771-3, waardoor de constructieve betrouwbaarheid definitief werd verankerd in het wettelijk kader.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Betonhuis | Libstore.ugent | Bia-beton | Rhp